Ik krijg de drang om de kikker te bedekken, als een raadselachtig gebaar van respect. Zo kan hij onzichtbaar vergaan en zich weer met de aarde verenigen, die hij slechts af en toe liefhad. Het vijverwater blijft de oever strelen. Vroeg of laat zal de poel de kikker misschien met zich meenemen, een massagraf van ontbinding en nieuw leven in. Dan zal hij tot op de bodem zinken. 

Hugo treurt niet. Ik zie hoe zijn vingers langzaam over een bramenblad wrijven dat vanboven ruw en vanonder zacht is. Met zijn duimnagel snijdt hij nu alle nerven door, in precieze lijnen. Er komen bladsappen vrij. Donkergroen weefsel kruipt onder zijn nagel, als deel van zijn eigen huid. Hugo vernielt het blad met een helse verveling in zijn ogen.

De buik van de kikker is bleek en glanzend als een riviersteen. Ik zet mijn schroom opzij en raak hem even aan, de glibberige kikkerhuid. Het is vreemd om te voelen hoe de zon zijn buitenkant nog warmte geeft, alsof ze het dier nog in haar aardse terrein wil houden. Maar van binnenuit is hij al afgekoeld. Hij laat zich probleemloos door mij aaien. De doden zijn even onverschillig als mijn kind. Toch voel ik een grotere terughoudendheid om dicht bij mijn zoon te komen dan bij dit koude wezen.

Enkele centimeters voor mijn voeten ligt een fijn takje op de grond. Ik kijk hoe mijn hand het opraapt, hoe mijn vinger de scherpte van de punt controleert. Terwijl ik het takje stevig in mijn handpalm klem, prik ik het door de kikkerbuik heen. Het blijft rechtop steken, als een gruwelijk grafkruis. Met mijn mouw bedek ik zijn kop wanneer ik met mijn andere hand het takje verder naar beneden trek. Er komen lichaamssappen vrij. Met twee vingers ontsluit ik zijn hele binnenste.