Er komen twee politieagenten het veld opgelopen. Hun haren waaien op in de wind. Een beetje onwerkelijk is het wel. Politieagenten horen straatschoffies aan te spreken en op de camping horen campinggasten rond te sloffen. Maar ik heb gekkere dingen gezien: met getrokken wapens door een schoolgebouw, vuurgevechten in speeltuintjes. Bovendien had ik mij al voorgesteld dat de politie zou komen ingrijpen.
‘We gaan kijken wat we kunnen doen,’ had de mevrouw van Veilig Thuis gezegd.
Ik heb een kwartier geleden opgehangen. Dat is snel, mooi. Hebben ze rap gedaan, van het meldpunt naar de politie. Niks geen hulpverlener, hoppa, meteen actie. Is er toch nog wat over van de slagvaardigheid in Nederland.
De agenten kijken het veld rond, wisselen een paar woorden en zetten dan koers naar mijn caravan. Een zachte wind ruist door de bomen. Automatisch scan ik de omgeving. Verder is er niemand. Het stel van hiernaast is nog steeds op pad. Ook de overburen zijn twintig minuten geleden met een volle tas van het veld gesjokt. De agenten lopen naast elkaar. De vrouw circa 1,80 of nog iets kleiner misschien, stevige schouders, hand op haar wapen. Ze loopt een halve meter achter de man: langer, dunner, gemillimeterd baardje, handen vrij naast het lichaam.
‘Meneer Van Montfoort?’
Ik geef een kort saluut.
De twee wisselen een blik. ‘We willen u wat vragen stellen.’
‘Vraag maar raak.’
‘En we zouden graag hebben dat u daarvoor meekomt naar het bureau.’
Ik kijk hem strak aan. Het is de mannelijke agent die het woord voert, de vrouw blijft op twee meter afstand. Even weet ik niet wat ik moet zeggen.
‘U kunt snel wat spullen pakken als u wilt, een jas, een trui, portemonnee, telefoon.’
‘Mag ik vragen waar dit over gaat?’
‘We hebben aanwijzingen dat u mensen op de camping lastigvalt, waaronder specifiek een minderjarige.’
‘Dit… dit is een misverstand.’ Ik recht mijn rug. ‘Ik heb zojuist met Veilig Thuis gebeld. Ik heb de afgelopen dagen research gedaan, het is…’
‘Komt u nu maar mee.’ De scherpe stem van de vrouwelijke agent.
‘En wie bent u om mij te onderbreken?’ Het is eruit voor ik het weet.
Haar ogen vernauwen zich. ‘Meneer, als het nog niet duidelijk is: we hebben verklaringen vanuit meerdere bronnen. We staan hier niet voor niets. Pak uw spullen, dan bespreken we de rest op het bureau.’
‘Ik weet niet wat u bedoelt.’
De vrouw zet drie stappen naar voren, brengt haar hoofd dicht bij de mijne. ‘Meneer, ik denk dat u heel goed weet wat wij bedoelen. Zou het misschien kunnen dat u naar andere campinggasten zit te loeren met een verrekijker; dat u een klein meisje naar uw caravan probeert te lokken; dat u haar heeft aangesproken bij de wc met uw broek half open?’
Het misverstand is zo groot dat ik er bijna om moet lachen.
‘Stalking en seksuele intimidatie zijn strafbaar, meneer Van Montfoort.’
Er beweegt iets op het velt. Liza komt aangerend. Iets vergeten? Ze stopt abrupt als ze ons ziet, blijft staan. Welke indruk dit moet maken, de uniformen bij de caravan van de buurman? Haar vader sloft erachteraan, ook hij lijkt te schrikken als hij ons ziet. ‘Liza, hier!’ Hij loopt naar haar toe, legt zijn arm om haar schouder, kom hier, blijf weg bij die nare man. Haar ogen haken zich in de mijne, ogen waarvan ik niet meer weet wat ik erin moet zien. Ze staat stokstijf stil, alleen haar lange haar beweegt traag in de wind. Een meisje met haar vader. Zo blijven we elkaar aankijken, een eindeloos kampeerveld tussen ons in.